boules logo Jeu de Boulesvereniging
Teteringen
Opgericht: 18 november 1991
 
terug
home
zoek
Petanque in een notendop
foto00

Samenstelling en fotografie: Jac Verheul
Uitgave NJBB, Nieuwegein - Geheel geactualiseerde versie 2009
Copyright: Jac Verheul - 1989/1993/1994/2009
Met dank voor zijn medewerking aan deze pagina

DE REGELS VAN HET SPEL

Petanque kan op drie manieren worden gespeeld:

De uitdrukkingen tête-a-tête, doublette en triplette zijn alle, bij gebrek aan een beter Nederlands equivalent, uit het Frans overgenomen termen.
In een tête-a-tête-wedstrijd en een wedstrijd tussen twee doublettes beschikt elke speler over drie boules, in een wedstrijd tussen twee triplettes over twee. In wedstrijden tussen doublettes of triplettes speelt elk team dus met zes boules.

Een wedstrijd of partij is onderverdeeld in werpronden. Een werpronde duurt net zolang totdat alle boules van beide teams zijn gespeeld. Mocht de situatie op het einde van een werpronde erg precair zijn, dan kan een team besluiten zijn laatste boules niet meer te spelen.
Een partij begint altijd met de toss. Het team dat de toss wint, speelt als eerste en bepaalt tevens waar er gespeeld gaat worden (tenzij er een terrein is toegewezen door de wedstrijdleiding).
Een van de spelers van het team dat de toss heeft gewonnen trekt op een door hem uitgekozen plek een cirkel van 50 cm doorsnede. Vanuit die cirkel, de werpcirkel geheten, gooit hij het but (het kleine houten balletje) uit op een afstand van ten minste 6 meter en ten hoogste 10 meter. Tegenwoordig worden steeds meer cirkels van kunststof gebruikt.
Wordt het but te kort of te lang uitgeworpen, dan mag nogmaals geworpen worden. Lukt het de derde keer ook niet, dan mag de tegenstander het proberen. Maar let op, het is altijd de winnaar van de toss die de eerste boule moet werpen. Het maakt niet uit welke speler van het team begint, doch in de regel worden daar wel afspraken over gemaakt. Zeker later, wanneer de nodige vaardigheid is verkregen, zal de rolverdeling tussen de afzonderlijke teamleden (pointeur/milieu/tireur) van groot belang blijken te zijn.
De speler die het spel opent, probeert zijn boule zo dicht mogelijk bij het but te werpen (plaatsen of pointeren). Van belang daarbij is dat de speler met beide voeten op de grond in de cirkel dient te blijven staan. Hij mag de cirkel pas verlaten of een voet van de grond tillen wanneer zijn boule op de grond is neergekomen.

foto02
Batavia Petanque 2005 in Lelystad, een door de NJBB georganiseerd toernooi van internationale allure.

Als de eerste speler van team A heeft gespeeld, is het aan een speler van team B om een boule te werpen. Hij moet daarbij proberen de boule van zijn voorganger te verbeteren. Met andere woorden, hij moet trachten zijn boule dichter bij het but te plaatsen dan de eerst geworpen boule. Wanneer dat inderdaad lukt, is het weer aan team A om te spelen. Lukt het echter niet, dan moet de speler van team B of een van zijn teamgenoten nog eens werpen, net zolang totdat de boule van team A verbeterd is. Tussen haakjes, de boule die zich het dichtst bij het but bevindt, ligt 'op punt'.
Het komt er dus op neer dat een team pas moet spelen wanneer het andere team op punt ligt.

Het is ook toegestaan een boule die heel dicht bij het but ligt en niet of nauwelijks te verbeteren valt, weg te schieten. Dat kan door heel zorgvuldig en zuiver op die boule te mikken en vervolgens te raken. En het allermooiste daarbij is als je eigen boule vervolgens op de plaats van de getroffen boule blijft liggen. Zo'n meesterworp wordt, en met excuses voor het Franse woord, carreau genoemd. Het is ook toegestaan, hoewel natuurlijk nog veel moeilijker, het but te schieten. Soms is dat een probaat middel om groot puntenverlies te voorkomen of, bijvoorbeeld indien er te veel boules van de tegenpartij rondom het but liggen en plaatsen vrijwel onmogelijk lijkt, in één klap een grote score te behalen.

Als alle boules van beide teams gespeeld zijn, wordt er gekeken hoeveel punten er liggen. Slechts één van beide teams kan punten behalen. Een team kan net zoveel punten behalen als er boules beter liggen dan de beste boule van de tegenstander. Of, met andere woorden, als de beste boule van team B op 50 cm van het but ligt en team A heeft drie boules op respectievelijk 10, 20 en 45 cm afstand van het but, dan behaalt team A drie punten. Team B blijft met lege handen achter.
Het zal duidelijk zijn dat het minimale aantal te behalen punten 1 is en het maximale aantal 6. Net zoveel dus als het aantal boules dat elk team in handen heeft. Soms, als de verschillen in afstand tot het but van de boules van beide teams heel gering zijn, kan het noodzakelijk zijn dat er gemeten moet worden. Dat kan op vele manieren, maar het handigst en het snelst gebeurt dat met behulp van een klein rolmetertje. Ook bestaan er speciale opvouwbare meters, een soort duimstok, met aan het einde een verschuifbaar gedeelte. Daar kan heel nauwkeurig mee gemeten worden.
Het team dat de voorgaande werpronde heeft gewonnen, mag de nieuwe werpronde beginnen. Op de plaats waar het but zojuist lag, wordt een nieuwe werpcirkel getrokken. Vervolgens wordt de eerste boule geworpen. Enzovoort.

Een partij is afgelopen wanneer één van beide teams dertien punten heeft gescoord. En wees ervan overtuigd dat, in het geval van een vriendschappelijke partij, de verliezers onmiddellijk een revanchepartij zullen opeisen. Tot hun grote plezier, maar ook tot dat van de winnaars. Want dat maakt het petanquespel juist zo uniek!

DE TECHNIEK
foto03
De Fransman Philippe Quintais, met zijn twaalf mondiale titels de meest gelauwerde speler ter wereld.

Het petanque kent twee basisworpen: het plaatsen of pointeren (van het Franse woord pointer, richten) en het schieten of tireren (van tirer, schieten; onze zuiderburen spreken ook wel van trekken, maar dat is in deze betekenis eigenlijk geen goede vertaling).
De speler die moet plaatsen wordt pointeur genoemd, de speler die moet schieten tireur. Oftewel in het Nederlands respectievelijk plaatser of bijlegger (hoewel deze termen niet zo veel worden gebruikt) en schutter.
Het plaatsen van een boule is het werpen van een boule met als doel deze zo dicht mogelijk bij het but te laten eindigen. Het schieten is een worp waarbij een — doorgaans dichtbij het but liggende — boule wordt '‘veggeketst'.
De keuze tussen plaatsen of schieten is altijd een kwestie van tactiek.

Het plaatsen

Het plaatsen van een boule kan, zoals we zo dadelijk zullen zien, op drie verschillende manieren worden gedaan. Speel altijd onderhands, dat is heel belangrijk. Weliswaar is bovenhands spelen niet verboden, maar het geeft niet de benodigde controle en precisie om de boule goed los te laten. Ten aanzien van het schieten geldt dat overigens net zo.

Tracht van begin af aan de boule goed vast te houden, vóór in de hand in de vingers (maar niet tussen de vingertoppen!). De vingers drukken losjes gesloten tegen de boule aan en de duim, die verder geen rol van betekenis speelt, sluit de boule eveneens losjes aan de zijkant op. Op deze wijze wordt de boule voor iets meer dan de helft door de hand omvat, ongeveer zoals je een vogeltje zou vasthouden.
Let op dat de boule bij het werpen altijd de hand via de vingertoppen verlaat, voor de benodigde controle en de juiste richting.

afbeelding02
Rollend plaatsen.

De eerste manier van plaatsen is de rollende. De boule valt daarbij kort voor de speler op de grond – plusminus 1 tot 2 meter – en legt het gehele verdere traject rollend af (tussen haakjes, de plek waar de boule voor het eerst op de grond neerkomt heet de donnee, in het Frans: donnée, landingsplaats). Een rollend gespeelde boule geeft de meeste zekerheid, en in het bijzonder geldt dat voor beginnende spelers en op gladde en vlakke terreinen.

De tweede manier is de zogeheten demi-portee (portée in het Frans betekent reikwijdte, met andere woorden, de afstand tussen de werpcirkel en de donnee). Bij deze worp komt de boule ongeveer halverwege de cirkel en het but op de grond neer, om vervolgens rollend zijn weg te vervolgen. De meeste spelers maken gebruik van deze wijze van spelen, doch altijd afhankelijk van de aard van het terrein.

afbeelding04
Plaatsen door middel van een portee.

De derde manier van plaatsen, en tegelijk de allermoeilijkste en slechts weggelegd voor zeer ervaren spelers, is de volledige of hoge portee. Bij deze worp wordt de boule zeer hoog de lucht in geworpen om vervolgens bijna loodrecht neer te komen in de directe omgeving van het but. Wanneer zo'n boule goed gespeeld is, blijft hij vrijwel onmiddellijk stilliggen op de plaats waar hij is neergekomen. Een portee wordt vaak toegepast op zachte en ruwe terreinen of wanneer er zich een obstakel bevindt tussen de cirkel en het but (een obstakel kan ook bestaan uit een verzameling boules voor het but die de normale doorgang over de grond versperren).

Samengevat, rollend gespeelde boules gaan altijd zeer laag over de grond, demi-portees halfhoog door de lucht, tot ongeveer 2,5 meter, en echte portees zeer hoog in de lucht tot soms wel zo'n 10 meter. Maar pas op, uitsluitend zeer ervaren spelers mogen deze laatste worp toepassen!

Al deze manieren van plaatsen kunnen met effect, hetzij naar links, hetzij naar rechts worden uitgevoerd. Zelfs spelen met contra-effect is mogelijk. Maar ook hier geldt dat beginnende spelers er verstandig aan doen de eerste tijd zonder effect te spelen; het is beter allereerst de normale, natuurlijke wijze van spelen aan te leren. Laat de boule los met een vlakke hand. Controleer jezelf door de boule over je gestrekte vingers na te kijken.

De drie bovengenoemde manieren van spelen kunnen op hun beurt weer op drie verschillende manieren worden uitgevoerd: rechtopstaand, half voorovergebogen en gehurkt. Op korte afstanden, of als er rollend gespeeld wordt, meestal gehurkt of iets voorovergebogen, op langere afstanden vaak rechtopstaand.

afbeelding06
Rechtopstaand, half voorover­gebogen en gehurkt plaatsen.

Hoe er ook gespeeld wordt, belangrijk is dat het lichaam altijd stabiel, stil en goed in balans blijft. Nooit stram en stijf, maar altijd losjes en soepel. En zeker niet met draaiende of kronkelende bewegingen van de romp. Het is de arm die werpt, niet het lichaam! Heel belangrijk is de beweging van de arm, speel altijd met een soepele en gestrekte arm, nooit met een gebogen elleboog. Ook niet met een draaiing van de onderarm. Door al deze sterk af te raden bewegingen zou de boule een onbedoeld en ongecontroleerd effect kunnen meekrijgen. En zoals gezegd, spelen met effect is iets wat weggelegd dient te blijven voor uitsluitend de meer ervaren spelers. Begin altijd met de meest simpele worp, met de meest natuurlijke en normale manier van spelen.

Het schieten

foto04
De Fransmans Damien Hureau, wereld­kampioen in 2004, in een fraaie en soepele stijl.

Het schieten is een uiterst belangrijke en moeilijke discipline in het petanquespel. Zonder een goede schutter in het team is het vrijwel onmogelijk om veel partijen te winnen. Een boule die niet of nauwelijks te winnen valt, dient meteen geschoten te worden. Bovendien kan een goede schutter aan het einde van een werpronde veel extra punten voor zijn team verdienen.

In tegenstelling tot het plaatsen is het schieten veeleer een kwestie van reflex, van instinct bijna. Het is een aangeboren talent. Pointeren of plaatsen is een zaak van goed kijken, van nadenken, van schatten, van overwegen en van het berekenen van het juiste traject. Niets van dat alles bij het schieten. Een schutter concentreert zich slechts enkele seconden op de boule die hij moet raken, haalt uit en werpt zijn boule.
Vanwege die korte noodzakelijke concentratie heeft een schutter altijd doodse stilte nodig. Er mag niets of niemand bewegen, zeker niet in het verlengde van zijn gezichtsveld. De minst geringe onverhoedse beweging van een speler of toeschouwer, of zelfs een onverwacht geluid, kan hem al doen missen.
Een schutter die zich niet op zijn gemak voelt, is niet trefzeker. Hij mag door niets gehinderd worden, zelfs niet door iets in zijn hoofd. Op het moment dat hij in de cirkel staat, dient hij slechts oog te hebben voor zijn doelwit. En als hij vervolgens doel treft, wacht hem de bewondering en de lof van zijn medespelers of van het publiek. Iets wat hem helpt wanneer hij even later weer in actie moet komen.
Hoewel de kunst van het schieten, zoals gezegd, een aangeboren talent is, zal een schutter toch regelmatig moeten trainen om zijn resultaten te verbeteren. Alleen dat kan hem, en zeker op langere termijn, de nodige vastheid en zekerheid geven.

Hoe vreemd het ook klinkt, eigenlijk heeft een schutter het gemakkelijker dan een pointeur. Het traject van een schietboule (dus de boule waarmee geschoten wordt) is altijd dezelfde, namelijk door de lucht en zonder hindernissen onderweg. De pointeur daarentegen heeft te maken met steeds wisselende omstandigheden. De ene keer is het een terrein met hobbels en gaten dat hem parten speelt. Dan weer zijn het stenen of takjes. Of ligt er een vijandelijke boule precies in zijn baan. Een volgende keer wordt een partij gespeeld op een hard terrein, een andere keer op een zachte ondergrond. Of wordt er van een helling af gespeeld en meteen daarop in omgekeerde richting helling op. Een pointeur kan nooit zeker van zichzelf zijn en zal steeds het speelterrein grondig dienen te inspecteren alvorens zijn boules te werpen. Je zou zijn taak kunnen vergelijken met die van de infanteriesoldaat in het leger. De pointeur zal zich op bijzondere wijze moeten toeleggen en zich steunend en zwoegend over het terrein heen en weer bewegen. Op zoek naar verraderlijke kuiltjes en steentjes die hem de das kunnen omdoen. En als zijn boule desondanks op desastreuze wijze meters uit de koers raakt, bijvoorbeeld doordat die neerkwam op een steen die hij over het hoofd had gezien, wacht hem vaak de hoon van zijn medespelers en het leedvermaak van de tegenstanders. Maar de pointeur die er regelmatig in slaagt zijn boules dicht bij het but te plaatsen – en het liefst er iets voor – verricht wonderen voor zijn team en zal door zijn medespelers op handen worden gedragen. Bovendien helpt hij zijn schutter op meer dan normale wijze, omdat hij deze laatste onder de meest ideale condities in actie laat komen.

DE TACTIEK

De keuze uit de twee beschreven technieken, schieten of plaatsen, heeft alles te maken met het bepalen van de te volgen tactiek. In de praktijk is die keuze heel wat minder simpel dan op het eerste gezicht lijkt, want bij het maken van die keuze komt een heel arsenaal van factoren te voorschijn dat die keuze beïnvloedt. Hier volgen de voornaamste:

foto05
Schieten of plaatsen? De eeuwige kwestie...

Extra ingewikkeld wordt het in de wetenschap dat er door te plaatsen ook verschillende opties mogelijk zijn, bijvoorbeeld het opspelen van een eigen boule die net niet op punt ligt en waardoor je in één klap op twee punten kunt komen. Of het plaatsen van een boule pal tegen een boule van je tegenstander aan, wat hem vrijwel onmogelijk maakt om te schieten.

Al deze variabelen maken het in aanleg zo eenvoudige petanquespel zo rijk en geschakeerd en soms lijkt het wel een beetje op schaken. Er komt evenveel psychologie bij kijken! En uiteraard zal de juiste tactiek altijd beoordeeld worden op het resultaat van de gekozen worp en de uitvoering ervan. Maar die wijsheid komt pas achteraf!

De belangrijkste stelregel bij het uitvoeren van de juiste tactiek is dat het er in het petanque altijd om gaat die worp te kiezen die als resultaat heeft dat je het punt verbetert of terugwint. Met andere worden, dat je zodanig speelt dat je tegenstander gedwongen wordt om te spelen. En als je tegenstander aan het eind van een werpronde geen boules meer heeft en jouw team nog wel, dat je op dat moment die worp speelt die het maximum aan punten oplevert (maar opnieuw, zonder overdreven risico's te nemen).

Daarnaast bestaat er een veel voorkomend misverstand dat schieten gelijk zou staan aan aanvallen en plaatsen aan verdedigen. Geheel onjuist, het is wel degelijk mogelijk om schietend te verdedigen (de score van de tegenstander trachten te beperken) en plaatsend aan te vallen (een boulevoordeel omzetten in extra punten).

Het bepalen van de juiste tactiek komt er dus op neer dat altijd moet worden gekozen voor die worp die de meeste kans van slagen heeft. Door veel ervaring op te doen, dus door veel te spelen, zal de keuze voor een bepaalde tactiek je steeds gemakkelijker af gaan.

DE GESCHIEDENIS VAN HET JEU DE BOULES

Reeds vroeg in de oudheid bestonden er balspelen die als voorlopers kunnen worden beschouwd van de moderne balspelen, en dus ook van de huidige boulespelen. Aanvankelijk – vele eeuwen voor het begin van onze jaartelling – beoefend in het Midden-Oosten (Turkije en Egypte) en het oude Griekenland, zijn deze spelen waarschijnlijk in de tweede eeuw na Christus in West-Europa beland, het Romeinse Rijk en Gallië, het latere Frankrijk.
Vervolgens is het jeu de boules min of meer ingeslapen om in de Middeleeuwen weer de kop op te steken, vaak tot ergernis van vele vorsten uit die tijd. Het beoefenen van activiteiten als boogschieten en sabelschermen achtten zij van meer belang voor de verdediging van het land dan het zinloze spelen met boules. Om die reden voelden Philip de Vijfde (oftewel Philip de Lange) in 1319 en later Karel de Vijfde (met de bijnaam Karel de Wijze) zich in 1369 genoodzaakt het spel per decreet te verbieden. In 1512 en 1697 deden de Franse bisschoppen daar nog een schepje bovenop door de geestelijkheid het beoefenen van het kaatsspel (jeu de paume) en ook het boulespel te verbieden. Alleen monniken in veraf gelegen abdijen mochten het spel nog beoefenen... maar uitsluitend ver uit het zicht van de wereldgeestelijken!
Al deze verboden mochten echter niet verhinderen dat het spel vanaf de 15e eeuw weer op veel plaatsen werd beoefend. Tot ver buiten het Franse rijk zelfs, hoewel ook daar het boulespel, evenals andere volksvermaken, regelmatig onderhevig waren aan verbodsbepalingen door de wereldlijke en kerkelijke overheden. Desalniettemin werd in 1299 in Engeland de 'Southampton Bowling Club' opgericht en dat nog wel onder de hoge bescherming van koning Edward! De club in Southampton bestaat nog steeds.

foto06
Bolspelende boeren, schilderij van David Teniers de Jonge (1610-1690)

In diezelfde periode werd in de zuidelijke Nederlanden het jeu du clos-porte (klossen) gespeeld. Bij dit spel moesten grote houten bollen met gebruikmaking van een soort slaghout door een poortje worden gespeeld. Bij andere varianten werd het doel gevormd door een klein paaltje in de grond – stek, staak, nagel of pluim geheten. Op tekeningen en schilderijen van Hollandse en Vlaamse meesters zoals Pieter Brueghel de Oude, Adriaen van Ostade, David Teniers de Jonge, Aert van der Neer en Egbert van Heemskerck kun je die oude bolspelen nog afgebeeld zien. Ook 'onze eigen' Erasmus was een liefhebber van het boulespel. Op doorreis naar Italië heeft hij het spel in Lyon leren kennen en het daar met vrienden beoefend. In zijn werken heeft hij het jeu de boules onder de namen ludus globorum missilium en ludus sphaerae meerdere malen beschreven.

Opmerkelijk is dat het jeu de boules, dat tot in de 17e eeuw nog het spel van boeren was, in de 18e eeuw vooral het spel was van de aristocratie. Pas na de Franse revolutie kreeg het gewone volk zijn rechten terug en kon het jeu de boules zich, vooral vanaf het tweede deel van de 19e eeuw, ontwikkelen tot een echte volkssport.

Het materiaal waarvan de oude boules werden vervaardigd was van uiteenlopende aard – meestal van hout – en ook de afmetingen weken sterk van elkaar af. Gezien de zeer beperkte communicatiemiddelen van die tijd spreekt het voor zich dat iedere streek of plaats zijn eigen spelvariant kende, met eigen regels en afwijkende speelafstanden. Uiteraard spande Frankrijk daarbij de kroon. Dit zijn de belangrijkste varianten:

De meeste van al deze varianten stammen uit het midden van de 19e eeuw of eerder.

De buiten Frankrijk beoefende varianten waren onder meer de al eerder genoemde Engelse bowlspelen (flatgreen bowls, crawn bowls en indoor bowls), het Italiaanse raffa of rafle (buiten Italië ook wel boccia of bocce genoemd) en de Vlaamse bolspelen. Deze laatste spelsoorten, die een grote gelijkenis vertonen met het bourle uit Noord-Frankrijk, bestaan tot op heden voort onder namen als krulbollen, platte bollen, gaaibollen, pierbolIen en vloerbollen. Maar ook het beugelen heeft de storm der eeuwen weten te doorstaan en wordt nog volop in Nederlands en Belgisch Limburg beoefend.
Alle hierboven genoemde spelsoorten, geen enkele uitgezonderd, vormen tezamen de omvangrijke en uitgestrekte familie van het jeu de boules.
Bij bovenstaande opsomming van boulespelen is één belangrijk spel – en zoals we dadelijk zullen zien van levensbelang voor het petanque – nog niet genoemd: het jeu provençal, dat al sinds het einde van de 19e eeuw zeer intensief in de Franse Provence wordt beoefend. Het jeu provençal of la longue, het lange spel, speelt zich af op tamelijk grote afstanden: tussen 15 en 20 meter. Daarbij moest veel heen en weer worden gelopen en de spelers waren bovendien verplicht hun boules balancerend op één been te werpen. Nadat er een stap uit de werpcirkel was gezet, mocht slechts één voet de grond nog raken. Bij het schieten moest zelfs een aanloop van drie passen worden gemaakt.
Door de hoge eisen die het jeu provençal van de conditie vergde, was het voornamelijk weggelegd voor sterke en gezonde jonge mannen. Met het vorderen van de leeftijd werd het gaandeweg moeilijker het spel te blijven beoefenen. En vrouwen zag je al helemaal niet in actie komen op de boulodromes.

Over het ontstaan van het petanque, vroeg in het begin van de 20e eeuw, bestaan verscheidene verhalen, legenden bijna. Waar of niet waar, het verhaal uit 1907 – sommigen beweren 1910 – over Jules Le Noir uit La Ciotat, een vissersplaats niet ver van Marseille, is misschien wel het alleraardigst en ook het meest geloofwaardig.
Jules Le Noir was in zijn jonge jaren een vermaard speler. Meerdere malen was hij bekroond als kampioen in het jeu provençal, maar eenmaal op leeftijd gekomen en met reuma behept, waren de grote wedstrijden niet meer voor hem weggelegd. Maar een groot liefhebber van het lange spel was hij nog altijd en trouw bezocht hij daarom alle grote toernooien op het boulodrome achter het kerkhof van La Ciotat, gelegen aan de straat die later tot Avenue de la Pétanque zou worden omgedoopt.
Gezien zijn leeftijd en reputatie mocht Jules Le Noir als enige de wedstrijden zittend op een stoel volgen. Tijdens zo'n toernooi wierp hij, louter uit verveling omdat de partij hem niet erg kon boeien, een but enkele meters voor zich uit. Hij plaatste er een boule naar toe en trachtte die met een andere te raken. Na enige oefening lukte hem dat zo goed, dat enkele omstanders, goede vrienden van hem, er ook schik in begonnen te krijgen en hem zelfs uitdaagden voor een partijtje. Aangezien Jules Le Noir aan zijn stoel gekluisterd was, stelden zij voor met een soortgelijke handicap te spelen. Bij het werpen van hun boules mochten zij, in tegenstelling tot wat zij gewend waren, niet meer uit de cirkel stappen, maar dienden met beide voeten op de grond te blijven staan. Korte tijd later – en dat was vooral te danken aan de gebroeders Ernest en Joseph Pitiot, de beheerders van het terrein in La Ciotat – werd het eerste toernooi volgens de nieuwe formule gespeeld.
Een nieuw spel was geboren en het kreeg in het Provençaals de naam pèd tanco, het spel met de voeten vast op de grond. Via pieds tanqués werd dat later het ons zo vertrouwde pétanque (in het Nederlands zonder accent op de eerste lettergreep).

foto08
De viering van het 100-jarig bestaan van het petanque in 2007 op de geboorte­grond in La Ciotat met een reconstructie van de allereerste partij.

Het spel bleek enorm aan te slaan. Iedereen kon het nu immers spelen. Jong of oud, man of vrouw, kerngezond of in minder goede conditie, alle drempels om het boulespel te beoefenen waren in één klap verdwenen en de mogelijkheden waren voor iedereen gelijk geworden.
Vanuit La Ciotat kreeg het petanque al gauw tot in wijde omgeving bekendheid en via Marseille begon het aan zijn opmars door Frankrijk.
Evenals zijn oudere broertjes, het jeu lyonnais en het jeu provençal, werd het petanque aanvankelijk nog gespeeld met houten boules die met spijkers waren beslagen, de zogenaamde boules cloutées. Halverwege de jaren twintig van de 20e eeuw werden de eerste volledig metalen boules (intégrales) gefabriceerd, een industrieel fabricageproces dat vooral na de Tweede Wereldoorlog opgang kreeg en zonder enige twijfel heeft bijgedragen aan de enorme popularisering van het jeu de boules. De met spijkers beslagen boules zijn sindsdien een gewild verzamelobject geworden.

Momenteel wordt het petanquespel beoefend door vele miljoenen Fransen, van wie er ongeveer 360.000 zijn aangesloten bij de nationale federatie, de FFPJP, die zowel het petanque als het jeu provençal omvat.
En net zoals het jeu de boules in de Middeleeuwen niet beperkt bleef tot uitsluitend Frankrijk en zijn weg vond naar andere landen in Europa, veroverde het petanque in de tweede helft van de 20e eeuw opnieuw Europa. Allereerst de omringende landen Spanje, Italië en Zwitserland, maar later ook België, Luxemburg, Nederland, Engeland, Duitsland en zelfs Scandinavië. Na het verdwijnen van het ijzeren gordijn zijn ook de meeste voormalige oostbloklanden toegetreden tot de FIPJP, de internationale petanquefederatie.
Het mag geen verbazing wekken dat het petanque ook in de voormalige Franse koloniën zijn sporen heeft achtergelaten en momenteel is het spelniveau in de Noord-Afrikaanse landen Marokko, Algerije en Tunesië tot vrijwel gelijke hoogte gestegen als in het geboorteland Frankrijk. En met het noemen van landen als Mauretanië, Senegal, Ivoorkust, Guinee, Madagaskar, Thailand, Singapore, Maleisië, Japan, Australië, Nieuw-Zeeland, Canada en de Verenigde Staten zal het duidelijk zijn dat het petanque een wereldomvattend spel is geworden dat momenteel in meer dan 80 landen wordt beoefend. Er zijn zelfs al pogingen in het werk gesteld om het petanque als Olympische sport erkend te krijgen. Met dat doel voor ogen is in 1985 de wereldboulebond CMSB (Confédération Mondiale des Jeux de Boules) opgericht, die het jaar erop is erkend door het Internationaal Olympisch Comité. Onder het CMSB vallen de sporten petanque en jeu provençal, sport boules, raffa en sinds 2003 ook lawn bowls. Helaas hebben alle pogingen om toegang te krijgen tot de Olympische Spelen nog tot niets geleid.

Er is geen twijfel over mogelijk dat het jeu de boules wereldwijd bekendheid heeft gekregen door het ontstaan van het petanque. Want zonder het petanque zou het jeu de boules tot in lengte van dagen een folkloristisch gebruik op het Franse platteland zijn gebleven. En als buitenstaanders het over jeu de boules hebben, tien tegen één dat zij dan het petanquespel voor ogen hebben.

DE PETANQUESPORT IN NEDERLAND

In ons land heeft het petanquespel inmiddels ook vaste voet aan de grond gekregen. Nadat het spel in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw hier en daar al op bescheiden schaal werd beoefend, werd in 1972 de Nederlandse Jeu de Boules Bond (NJBB) opgericht, die vooral in het begin van de jaren tachtig een serieus aanzien begon te krijgen. Een absoluut hoogtepunt werd gevormd door het wereldkampioenschap in 1984 in Rotterdam. In 2008 vond in Nieuwegein het Europees jeugdkampioenschap plaats, dat een eervolle bronzen medaille voor het Nederlandse jeugdteam opleverde. Een ander groot succes was de gouden medaille voor Karin Rudolfs op het onderdeel precisieschieten – een nieuwe discipline sinds 2000 – tijdens het Europees kampioenschap voor vrouwen in 2007 in Ankara in Turkije. Een jaar later, in 2008, behaalde zij opnieuw in Turkije, maar ditmaal in Samsun aan de Zwarte Zee, op hetzelfde onderdeel een zilveren medaille tijdens het wereldkampioenschap.
Succes was er in 2008 ook voor Nederland op het eerste Europees kampioenschap voor beloften in het Franse St-Jean-d'Angély: de Nederlandse mannen behaalden er een gedeelde derde plaats.

Inmiddels telt de NJBB over het gehele land verspreid zo'n 225 verenigingen met in totaal bijna 19.000 aangesloten spelers (spelers met een NJBB-licentie), een aantal dat jaarlijks nog groeit. Hoewel het petanque bij aanvang vooral een mannenaangelegenheid was, ligt dat in ons land geheel anders.
Van de bijna 19.000 spelers waren in 2008 iets minder dan 7.500 van het vrouwelijke geslacht, ongeveer 40 procent, internationaal gezien een opvallend hoog percentage. Slechts Canada blijft ons land met 50 procent voor.
Wat betreft het aantal licentiehouders staat Nederland wereldwijd op de vierde plaats, na Frankrijk (360.000), Thailand (40.000) en Spanje (30.000), maar ruim voor Duitsland (14.000) en België (12.500).

Logo NJBB

Rond 90 clubs in Nederland beschikken over een overdekt boulodrome, met in de meeste gevallen tussen 10 en 16 speelterreinen. De in 2006 in Nieuwegein geopende accommodatie, die tevens het trainingscentrum is van de NJBB, behoort met 32 terreinen, een ruime kantine en meerdere vergaderruimten, zelfs tot de grootste overdekte boulodromes van de gehele wereld.

De NJBB kent een hechte organisatievorm bestaande uit een landelijk bestuur – ondersteund door verscheidene commissies – en 8 districten met elk een eigen districtsteam. Gedurende de zomermaanden vindt de Nationale Competitie plaats, die onderverdeeld is in meerdere klassen en waaraan door vele duizenden spelers wordt deelgenomen. Naast deze competitie kent de NJBB nog nationale kampioenschappen in meerdere disciplines en jaarlijks zorgen bijna 400 toernooien voor een overvloedig gevulde wedstrijdkalender.

De NJBB is aangesloten bij het NOC*NSF (in 2007 is petanque zelfs als topsport erkend!), bij de internationale federatie FIPJP en bij de Europese petanquefederatie CEP.

De NJBB geeft een eigen bondsblad uit, petanQue geheten, dat is opgericht in 1994 en sindsdien viermaal per jaar naar alle 19.000 licentiehouders wordt verstuurd.

Met andere woorden, aan alle voorwaarden voor een zonnige toekomst van het petanque in Nederland lijkt te zijn voldaan. En dat opent heel wat perspectieven...

ADRESSEN

Voor meer informatie over de petanquesport in Nederland kunt u terecht op onderstaand adres:

Bondsbureau van de Nederlandse Jeu de Boules Bond (NJBB)
Postbus 2655
3430 GB Nieuwegein
Telefoon: 030-751 38 00
E-mailadres: info@njbb.nl
Website: www.njbb.nl

AANBEVOLEN LITERATUUR

De hoofdstukken over de geschiedenis van het jeu de boules en de petanquesport in Nederland in deze brochure zijn geactualiseerde versies van de gelijknamige hoofdstukken die de vertaler, die tevens de auteur is van deze brochure, heeft toegevoegd aan de laatste uitgaven van Volle zon over het petanque.


Jeu de Boulesvereniging La Crique | 02-05-2012